De verzamelwaarde van serieproducten

De verzamelwaarde van serieproducten

Met beurzen als Design Miami, Nomad en Collectible heeft design art intussen een publiek van verzamelaars gevonden. Maar wat met de andere designtakken? Loont het ook de moeite om meer toegankelijke serieproducten te verzamelen? En zo ja, zijn daar criteria voor?

TEKST : Elien Haentjens

Het Gentse Design Museum koopt voor haar collectie design dat de maatschappelijke realiteit weerspiegelt, terwijl het Centre d’Innovation et de Design van Bergen ervoor kiest om innovatieve stukken – zowel op het vlak van materiaal, techniek als thematiek - aan te kopen. Maar het Brussels Design Museum is misschien het beste voorbeeld in deze context: de permanente collectie is het levenswerk van Philippe Decelle. Die begon in 1987 na de vondst van een Universale-stoel van Joe Colombo op de vuilnisbelt met het verzamelen van ontwerpen uit plastic. Samen geven ze een uitstekend beeld van de tijdsgeest. Of hoe ook dagelijkse gebruiksvoorwerpen in een groter geheel kunnen uitgroeien tot verzamelobjecten.


Jean Prouve (1901-1984), ‘Bureau ‘Compas’. Zwart gelakte staalplaat en buis, ladeblok van grijs gelakt metaal, houten blaas bedekt met zwart laminaat, 1956. Ed. Steph Simon. H.73 cm L.196 cm P.87 cm. Richtprijs: € 35.000-40.000.
© Cornette de Saint Cyr.

Hout en metaal

“In de expo ‘Belgisch design belge’ confronteren we houten en metalen accessoires uit de jaren 1950 van ontwerpers als Jules Wabbes, Jacques Dupuis en Léon Stynen, die wij de voorbije jaren aankochten, met hun evenknie in plastic”, vertelt Anne De Breuck, die het Erfgoedfonds van de Koning Boudewijnstichting leidt. “De stukken zijn meer dan louter gebruiksvoorwerpen. Zij vertellen iets over de maatschappelijke context waarin ze gemaakt zijn en over hoe mensen toen leefden. Daarom behoren ze tot ons erfgoed, dat de Stichting wil vrijwaren.” “Net als bij al onze aankopen moeten de designstukken voldoen aan enkele voorwaarden. Zo moeten ze tekenend zijn voor de kunst- of designgeschiedenis, en moeten ze een sleutelrol spelen in het oeuvre van de ontwerper. Als het stuk historisch belang heeft, omdat het bijvoorbeeld behoord heeft tot een bepaald interieur of tot een bepaalde verzameling, is dat een troef”, zegt De Breuck. “Hoewel we altijd meubilair hebben gekocht, heb ik het gevoel dat er meer aandacht zal zijn voor de producten uit de 20e eeuw, omdat we er als samenleving meer belang aan hechten. Bovendien gaat alles sneller, waardoor belangrijke revoluties ook sneller tot ons erfgoed gaan behoren. Zo hebben we bijvoorbeeld recent een fonds voor baanbrekende informatica opgericht. Ik vermoed dat er vroeg of laat ook een specifiek fonds voor design komt.”

Originele edities

Terwijl galeriestukken uniek, gelimiteerd of genummerd zijn, geldt dat in principe niet voor serieproducten. Een industriële productie vereist zelfs vaak een grote oplage, zodat het productieproces geoptimaliseerd kan worden en de prijs naar beneden kan. “Serieproducten willen goed design net op grote schaal toegankelijk maken, dus in die zin zijn ze niet verzamelbaar. Al kan het wel dat ze dat in de loop der tijden worden. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de Plastic Chairs-collectie van Charles & Ray Eames. In hun zoektocht naar een perfect op het menselijk lichaam gevormde eendelige zitschaal kwamen ze bij glasvezelversterkte kunststof uit. Met dit voor de meubelindustrie nieuwe materiaal realiseerden ze in 1950 de allereerste industrieel geproduceerde kunststof stoelen. Vitra produceert de stoelen nog altijd, maar die eerste series zijn heuse collectors items geworden”, vertelt Veerle Wenes, eigenaar van Valerie Traan Gallery en art director bij Valerie Objects. “Originele edities houden ook hun waarde langer. Zo wordt de Lounge Chair van Eames die door Herman Miller op de markt is gebracht meestal voor zo’n 5.000 euro verkocht. Terwijl een nieuw exemplaar bij Vitra bijna het dubbele kost, en achteraf op veiling meestal voor circa 2.000 euro wordt afgeklopt”, vertelt Valentine Roelants du Vivier, directrice van het designdepartement bij veilinghuis Cornette de Saint-Cyr. “Er zijn ook stukken van ontwerpers die bedoeld waren voor een groot publiek en vandaag recordprijzen halen. Mooie voorbeelden zijn de meubels van Charlotte Perriand en Jean Prouvé. Ook de meubels van de Belg Willy Van Der Meeren zijn momenteel erg gewild. Al is het verschil met Prouvé beduidend, terwijl beiden een gelijkaardige visie hadden. Zo hebben we in onze veiling van design uit de 20e en 21e eeuw van 29 november een bureau van Prouvé dat geschat is op € 35.000, terwijl een bureau van Van der Meeren een schatting van € 2.000 meekreeg. Net als op de markt van hedendaagse kunst heeft dit vaak te maken met een handelaar die het belang van een zekere ontwerper erkent, en zijn werk begint te verdedigen en te verkopen”, vertelt Roelants du Vivier.

Eames, zit- eetkamerstoel, ‘Vitra’. ©Herman Miller.
Zielsverwantschap

Speculeren over welke serieproducten in de toekomst zo’n iconische status zouden kunnen krijgen, is nattevingerwerk. Een van de voornaamste redenen is dat design in eerste instantie een gebruiksfunctie heeft, waardoor het veroudert en in principe daalt in waarde. “Vaak is het doel van ontwerpers net om het leven van een breed publiek beter te maken met hun creaties. Mochten ze weten dat hun stukken nu voor zulke hoge prijzen worden verkocht, ze zouden zich wellicht omdraaien in hun graf. In die zin vind ik de peperdure galeriestukken die puur voor die markt zijn gemaakt ook niet echt design. Hun gebruiksfunctie is vaak ondergeschikt of zelfs afwezig”, vertelt Veerle Wenes. “Of de stukken van Muller Van Severen gelimiteerd via de galerie of in serie via Valerie Objects verkocht worden, is vaak een technische kwestie. Soms zijn ze te complex voor een industriële productie, soms is de verplichte oplage te groot of soms willen de ontwerpers hun creatie een meer persoonlijke touch geven. De galeriestukken zijn gelimiteerd of genummerd en die voor Valerie Objects niet, al sluit niets uit dat ook deze op termijn verzamelbaar kunnen worden. Zo ben ik ervan overtuigd dat bijvoorbeeld de Rocking Chair van Muller Van Severen iconisch is en geschiedenis zal schrijven. Dat het een authentiek stuk is van ontwerpers met een uitgesproken signatuur draagt bij aan de mogelijke verzamelwaarde. Mocht de productie op een dag stoppen, dan zal dat ongetwijfeld een extra trigger vormen. Want dan wordt de hoeveelheid stukken plots toch beperkt”, vertelt Wenes. “Sowieso werkt Valerie Objects altijd met ontwerpers die een duidelijke persoonlijke vormentaal hanteren. Anders dan andere designmerken moet de vormentaal zich dus niet in eerste instantie inschrijven in de visuele identiteit van het merk. Ook het Britse Established & Sons en het Italiaanse Edra hebben in die zin al interessante stukken op de markt gebracht”, zegt Wenes. “Bij Serax zijn het servies van modeontwerper Ann Demeulemeester en keramist Frédérick Gautier iconische stukken. Als een ontwerper er, net als een kunstenaar, in slaagt om een persoonlijke, liefst avantgardistische signatuur te ontwikkelen, én die dan ook nog eens door te trekken in een functioneel product, dan vind ik dat heel straf. Daarnaast moet een stuk technisch goed gemaakt zijn, moet het de tijdsgeest verbeelden en helpt het als er een handmatige toets is in het productieproces. Al geldt ook hier, net als in de kunst: koop een stuk in eerste instantie omdat je er verliefd op wordt. Omdat het verhaal aansluit bij je persoonlijkheid, en omdat je er een soort zielsverwantschap mee voelt. Als de ontwerpen in de loop der jaren dan verzamelobjecten worden, is dat mooi meegenomen.”

In het Dé-servies, dat voormalig modeontwerpster Ann Demeulemeester voor Serax ontwierp, speelt ze met clairobscur.

Ontdek de andere artikels uit het winternummer hier of mis geen enkel nummer en abonneer je nu!

Comments are closed.